De 10 Tijdvakken

De geschiedenis van Nederland is voor het primair en voortgezet onderwijs verdeeld in tien tijdvakken. De tijdvakken worden in combinatie met de 50 Nederlandse canonvensters behandeld binnen kerndoel 52 en 53 in het primair onderwijs. Hieronder een overzicht van de tijdvakken en hun kenmerkende aspecten.

Tijd van jagers en boeren – Prehistorie Tot 3000 v.Chr.

Kenmerkende aspecten:

  • De levenswijze van jager-verzamelaars.
  • Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.
  • Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen in Egypte.

 

Tijd van Grieken en Romeinen – Oudheid 3000 v.Chr. tot 500 n.Chr.

Kenmerkende aspecten:

  • De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat.
  • Ontstaan van de westerse wijsbegeerte en de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.
  • De groei van het Romeinse Rijk waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.
  • De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa.
  • De ontwikkeling van het christendom en jodendom als eerste monotheïstische godsdiensten.

 

Tijd van monniken en ridders – vroege middeleeuwen 500 tot 1000

Kenmerkende aspecten:

  • Het ontstaan en de verspreiding van de islam.
  • De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.
  • Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
  • De verspreiding van het christendom in heel Europa.
  • De kastelen

 

Tijd van steden en staten – hoge en late middeleeuwen 1000 tot 1500

Kenmerkende aspecten:

  • De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.
  • De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden.
  • Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke of de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben.
  • De uitbreiding van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten.
  • Het begin van staatsvorming en centralisatie

 

Tijd van ontdekkers en hervormers – renaissance/reformatie/ontdekkingsreizen 1500 tot 1600

Kenmerkende aspecten:

  • Het begin van de Europese overzeese expansie.
  • Het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.
  • De hernieuwde interesse voor de klassieke oudheid.
  • De protestantse reformatie en splitsing van de christelijke kerk in West-Europa.
  • De Opstand in de Nederlanden en het ontstaan van een onafhankelijke Nederlandse staat.

 

Tijd van regenten en vorsten – gouden eeuw 1600 tot 1700

Kenmerkende aspecten:

  • Het streven van vorsten naar absolute macht.
  • Het burgerlijk bestuur en de stedelijke cultuur in de Nederlandse Republiek.
  • Het ontstaan van handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
  • De wetenschappelijke revolutie.

 

Tijd van pruiken en revoluties – verlichting 1700 tot 1800

Kenmerkende aspecten:

  • Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
  • Voortbestaan van het Ancien Régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven: verlicht absolutisme.
  • Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.
  • De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

 

Tijd van burgers en stoommachines – industrialisatie 1800 tot 1900

Kenmerkende aspecten:

  • De industriële revolutie en het ontstaan van een industriële samenleving in de westerse wereld.
  • Discussies over de ‘sociale kwestie’.
  • Het modern imperialisme dat verband hield met de industrialisatie.
  • De opkomst van emancipatiebewegingen.
  • Voortschrijdende democratisering; steeds meer mannen en vrouwen nemen deel aan de politiek.
  • De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

 

Tijd van de wereldoorlogen – eerste helft 20e eeuw 1900 tot 1950

Kenmerkende aspecten:

  • De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massa-organisatie.
  • De totalitaire politieke systemen: communisme en nationaalsocialisme (fascisme).
  • De economische wereldcrisis, het voeren van twee wereldoorlogen, de Duitse bezetting van Nederland en de Holocaust.
  • Niet eerder vertoonde verwoestingen door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering.
  • Opkomst van verzet in de koloniën tegen het West-Europese imperialisme.

 

Tijd van televisie en computer – tweede helft 20e eeuw 1950 – heden

Kenmerkende aspecten:

  • Blokvorming in de wereld met een wapenwedloop en de dreiging van een atoomoorlog (Koude Oorlog).
  • De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse macht in de wereld.
  • De eenwording van Europa.
  • De toenemende westerse welvaart vanaf de jaren zestig en het ontstaan van ingrijpende sociaal-culturele veranderingen.
  • De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.

 

Bronnen:  entoen.nu & Wikipedia